Muziek en geschiedenis

Zangers uit de middeleeuwen

Ook in de middeleeuwen waren ze al verzot op muziek. En zij die geboren werden met de gave van de gouden stem, mochten zich gelukkig prijzen om muziek tot hun beroep te maken. Zij hadden het vaak een stuk beter dan de gemiddelde burger.

Minstreel

De minstreel was een artiest in de middeleeuwen die in dienst was bij een broodheer. Naast het zingen van liederen maakte de minstreel ook muziek en was hij ook thuis in de poëzie en het vertellen van verhalen, die vaak actuele gebeurtenissen en personen betroffen. Soms waren er zelfs onderlinge ‘battles’ om wie de beste minstreel was.

Troubadour

De troubadour is een kunstenaar uit de middeleeuwen die vooral als muzikant en dichter optrad. Ze waren eigenlijk vooral actief op plekken waar Frans de voertaal was. In Germaanse streken werd ook wel gesproken over ‘minnezangers’ omdat er over de hoofse minne gezongen werd. Troubadours zijn verwant aan andere middeleeuwse kunstenaars – de minstreel en de jongleur.

Bard

Lyrische dichters en zangers uit Keltische streken werden barden genoemd. Je zou hen kunnen beschouwen als de verre voorouders van onze huidige ‘singer-songwriters’. Barden gaan zo ver terug dat ze zelfs al door Romeinse en Griekse geschiedschrijvers vermeld werden.

Natuurvolkeren

Volgens de muziekgeschiedenis is de vroegste periode van muziek helemaal terug te leiden tot circa 500 na Christus. Muziek is al zo lang bij ons, en het is overal. Ook bij natuurvolkeren in de oudheid zijn al vergelijkingen te maken met eenvoudige instrumenten.

Bovennatuurlijk

Muziek werkte bij natuurvolkeren als magische uiting. Bovendien was muziek eigenlijk altijd direct verbonden met het lijf: er werd gedanst, geklapt, meegezonden en bewogen. Instrumenten, maar ook de klanken van de menselijke stem waren onder andere bedoeld voor het uitdrukken van het ‘bovennatuurlijke’.

In de muziek van de natuurvolkeren, voor zover we dat hebben kunnen achterhalen, zijn veel overeenkomsten te vinden met de ouderwetse kinderliedjes die soms zelfs hun oorsprong vinden in de 15e of 16e eeuw. Je ziet vaak een afwisseling van twee tonen – een secunde of een terts. Er vindt steeds een beweging plaats van stijgen en dalen, waarbij spanning wordt afgewisseld met ontspanning. Als tooncentrum is het de hogere toon die doorgaans het accent draagt. De omvang van drie tonen wordt door deze twee wat betreft interval niet overstegen. Dat is ook waar de overeenkomst met kinderliedjes vooral goed zichtbaar, of liever gezegd hoorbaar is.

Melodiek van natuurvolkeren

Veel natuurvolkeren maken gebruik van simpele, maar praktische principes om een melodie te maken. Door een motief van twee tonen te variëren en te herhalen en gebruik te maken van het additieve principe kan een melodie gecreëerd worden. Transponeer het motief en je zult zien dat er een melodie ontstaat die meer dan twee tonen heeft, waarbij één toon waarschijnlijk als tooncentrum op zal treden. Dit hoor je goed bij het ’trappenmelos’ van de Papoea’s en oorspronkelijke Amerikanen.